Tekst & Verbeelding

Over kunst, cultuur en natuur

Het succes van private musea

Een dilemma?

Sin City, mei 2014

Succes

Particuliere musea van verzamelaars zijn een succes. Het gloednieuwe museum Voorlinden stevent wel zeker af op eclatante bezoekcijfers. Maar ook Hans Melchers’ Museum More met zijn figuratieve collectie is een voorbeeld van dit succes. Wie in het museum in Gorssel komt kan zich met recht verwonderen over de kwaliteit van het gebouw en de collectie, of je nu van figuratieve schilderkunst houdt of niet. De ontvangst bij de receptie is aangenaam. De zalen hebben een professionele uitstraling, de belichting is uitstekend, de teksten zijn goed vormgegeven en leesbaar. Het is er prettig toeven en er is een goed restaurant.
Een prachtige en simpele website. Ook dat nog.
Wat wil je nog meer. 
Zelfs als je niet van figuratieve kunst houdt wil je er terug.
Boven alle verwachting in trok het museum in het kleine dorp in het oosten des lands 100.000 bezoekers in nog geen jaar.

Tien met een griffel

Dat moet op zwakke momenten ongemakkelijke gevoelens oproepen bij de directies van middelgrote publieke musea, voor wie het monnikenwerk is het hoofd boven water te houden. Het is bovendien koren op de molen van de mensen die denken dat musea ‘niet uit kunnen’ en ondernemingen moeten worden. 
Museum More is geslaagd. Een tien met een griffel en een zoen van de juffrouw. En dat komt door de collectie, het gebouw en de professionele uitstraling van het museum. 
Geld speelde geen rol bij de start en Het heeft natuurlijk een opvallende voorgeschiedenis. Het verhaal van de failliete ondernemer Dirk Scheringa, uit wiens collectie van Melchers 1000 werken kocht, is immers goed voor de PR. Dat heeft zeker meegewerkt. 
Maar waarom hebben al die andere musea van hetzelfde formaat permanent miljoenen gemeenschapsgeld nodig hebben en museum More niet?

Voer voor discussie

Dit dilemma is voer voor een interessante discussie, die wel eens wat heftiger mag worden gevoerd. De kritische manier waarop door veel mensen wordt gesproken over kunst- en cultuurinstellingen die met belastinggeld overeind worden gehouden is ‘mainstream’ geworden. Dat is op zichzelf beschouwd vreemd. Op een of andere manier ontsnapt aan de aandacht dat het bedrijfsleven en de landbouw met miljarden subsidiegeld wordt gevoed, terwijl het effect ervan moeilijk is te traceren (Zie dit artikel correspondent). 
Wie zich verbaast over de relatief kleine bedragen die naar de kunsten te gaan, zou ondersteboven moeten vallen bij wat hier gaande is. 

Kunst- en cultuurinstellingen in het algemeen en musea in het bijzonder horen bij de noodzakelijke maatschappelijke infrastructuur, die onze samenleving op de hoogte, alert en creatief houdt. Wanneer dat onder het vloerkleed verdwijnt verarmt de samenleving. De bron droogt op. Dat is niet te bewijzen en in harde cijfers te vangen. Bas Heijne had het erover tijdens de opening van het nieuwe theaterseizoen. 

Hij sprak treffende woorden. Een van de meest opvallende uitspraken citeer ik verkort hier:

“De mantra dat de kunst zich naar buiten toe moet bewijzen in cijfers, in aantallen, in economisch belang is (, …,)dominant geworden. (Er) heerst de taal van de cijfers – en echt niet alleen omdat de subsidiegever dat eist als bewijs van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Nee, die taal is dominant geworden omdat hij zo begrijpelijk is, zo verleidelijk, omdat hij je ontslaat van de verplichting om je in die andere, moeilijke, stamelende taal uit te drukken.(…)de taal van de emotie, van het inzicht, van de subtiele betekenissen.”

Zie hier de onverkorte versie van zijn inspirerende verhaal.  

De markt

Dan tot slot een ander punt van aandacht, en zo kom ik bij de verbeelding van Las Vegas boven dit verhaal: wanneer musea ondernemingen worden en aan de markt worden overgeleverd is de toekomst ervan ongewis. In 2005 bezochten we met een delegatie van de Nederlandse museumwereld het Guggenheim-Hermitage museum in Las Vegas. We waren onder de indruk van de kwaliteit van het gebodene. Prachtige zalen, prettige ontvangst - u begrijpt de parallel al – en een schitterende collectie. Overeind gehouden met casinogeld. Vele scholen uit de wijde omgeving kwamen er op bezoek, over maatschappelijke functie gesproken. Op de vraag aan de directeur of die afhankelijkheid van de commercie geen probleem was, antwoordde ze geruststellend: “Ach, we komen altijd wel uit”. 

Het museum bestaat inmiddels niet meer. Natuurlijk zijn er andere initiatieven getuige dit artikel. En natuurlijk is ‘Sin City  wat het is: in de eerste plaats een plek voor pret en avontuur. Ook geeft het stof tot nadenken over de manier waarop we met kunst en cultuur moeten omgaan. 

Voor reacties klik hier.

10 september 2016